Wetboek van Strafvordering BES Actueel

Inhoud

Eerste Afdeling

Bewaring

Artikel 92

  1. De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De griffier geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman en doet hem alsmede de officier van justitie en de hulpofficier tevens mededeling omtrent de plaats waar en, zo mogelijk, het tijdstip waarop de verdachte door de rechter-commissaris zal worden gehoord.

  2. Indien de rechter-commissaris reeds aanstonds van oordeel is, dat voor het verlenen van zodanig bevel geen grond bestaat, wijst hij de vordering af.

  3. In het andere geval hoort hij, alvorens te beslissen, de verdachte omtrent de vordering van de officier van justitie en kan hij te dien einde, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, diens dagvaarding gelasten. Indien het voorafgaand horen van de verdachte niet kan worden afgewacht, wordt deze bij de eerste gelegenheid na het bevel gehoord.

Artikel 93

  1. Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste acht dagen, die ingaat op het ogenblik van de tenuitvoerlegging.

  2. Op de vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de geldigheidsduur van het bevel eenmaal voor een termijn van ten hoogste acht dagen verlengen.

  3. De rechter-commissaris hoort de verdachte, indien hij daartoe gronden aanwezig acht.

Artikel 94

  1. Ten aanzien van de bewaring zijn artikel 90, met uitzondering van het derde en zesde lid, alsmede artikel 90a van overeenkomstige toepassing.

  2. De uitvoering van de maatregelen die krachtens het eerste lid kunnen worden bevolen, vindt in het huis van bewaring plaats onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van het huis van bewaring.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES