Wetboek van Strafvordering BES Actueel

Inhoud

Tweede Afdeling

Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen

Artikel 527

De bevoegdheid, omschreven in artikel 72, komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.

Artikel 528

  1. De verdachte kan slechts worden aangehouden:

    1. in geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf, door een ieder;

    2. in geval van ontdekking op heterdaad van een overtreding, door een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig;

    3. buiten het geval van ontdekking op heterdaad, indien het een misdrijf of het strafbare feit omschreven in artikel 454, onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES betreft, door een opsporingsambtenaar, een commandant of een schipper.

  2. De officier van justitie kan in de gevallen, genoemd in het eerste lid, de aanhouding van de verdachte bevelen.

Artikel 529

Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd:

  1. door een ieder aan de officier van justitie, indien deze ter plaatse aanwezig is;

  2. door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan een opsporingsambtenaar, indien deze ter plaatse aanwezig is;

  3. door een opvarende die geen opsporingsambtenaar is, aan de schipper en door een inzittende van een luchtvaartuig die geen opsporingsambtenaar is, aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig;

  4. door anderen aan een opsporingsambtenaar of aan een commandant.

Artikel 530

  1. De officier van justitie kan bepalen dat de aangehouden verdachte zal worden verhoord. Hij kan daartoe de overlevering van de verdachte aan een bepaalde persoon of zijn overbrenging naar een bepaalde plaats bevelen.

  2. Tenzij de officier van justitie anders bepaalt, is de opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden verdachte te verhoren. Bij afwezigheid van een opsporingsambtenaar komt gelijke bevoegdheid toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

  3. Degene die bevoegd is tot verhoor van de verdachte is ook bevoegd hem naar een plaats van verhoor te geleiden.

  4. In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning, is artikel 50 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 531

  1. De aangehouden verdachte wordt, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen tien uur ’s avonds en acht uur ’s morgens niet wordt meegerekend.

  2. Niettemin kan de verdachte langer dan zes uren worden opgehouden:

    1. wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast;

    2. wanneer hij wordt verdacht van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden verleend.

  3. Een besluit de verdachte in het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde geval langer dan zes uren op te houden, wordt genomen door de officier van justitie. Kan diens optreden niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar, de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig in wiens handen de verdachte zich bevindt, daartoe besluiten.

Artikel 532

  1. Zodra de officier van justitie een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.

  2. Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  3. Heeft het in artikel 531, derde lid, bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:

    1. in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken;

    2. in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij een van de in onderdeel a genoemde maatregelen of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  4. De verdachte kan zich bij het horen, bedoeld in de artikelen 92, derde lid, en 97, doen vertegenwoordigen door een raadsman.

  5. Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsontneming meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsontneming is vervallen.

  6. Zolang degene in wiens handen de verdachte zich bevindt, geen bericht van de officier van justitie heeft ontvangen, is hij verplicht de verdachte eigener beweging in vrijheid te stellen, zodra hij meent dat de grond tot vrijheidsontneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen na de aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot voorlopige hechtenis is verleend, waarvan de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast.

Artikel 533

  1. De verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel a, van toepassing is, wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd aan de officier van justitie; de verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, kan worden overgeleverd aan de officier van justitie, ingeval het niet doenlijk is hem elders op te houden, totdat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast.

  2. Van het voornemen tot overlevering over te gaan wordt onverwijld bericht gegeven aan de officier van justitie.

Artikel 534

  1. Degene in wiens handen een aangehouden verdachte zich bevindt, zorgt dat de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen, dat het doel van de vrijheidsontneming wordt gemist. De verdachte mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die voor dit doel volstrekt noodzakelijk zijn.

  2. Aan de verdachte wordt gelegenheid gegeven zich met een raadsman in verbinding te stellen.

Artikel 535

  1. De officier van justitie kan bepalen, dat de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht. Artikel 78, derde lid, is van toepassing.

  2. De bevoegdheid, vermeld in artikel 78, tweede lid, komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

Artikel 536

  1. Opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen bevelen.

  2. In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig, voor zover ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is.

  3. Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is artikel 532 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 537

De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan onmiddellijk te voldoen.

Artikel 538

  1. De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde inzage vorderen van de bescheiden, waarvan naar hun redelijk oordeel inzage nodig is voor de vervulling van hun taak.

  2. Personen die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen de inzage weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

Artikel 539

  1. De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waarvan naar hun redelijk oordeel de betreding nodig is voor de vervulling van hun taak. De commandant en de schipper kunnen ter aanhouding van de verdachte of ter inbeslagneming alle plaatsen betreden, waarvan te dien einde de betreding naar hun redelijk oordeel nodig is.

  2. De artikelen 155 tot en met 160 blijven buiten toepassing. De artikelen 162 en 163 zijn ten aanzien van de commandant en de schipper van overeenkomstige toepassing.

Artikel 540

De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES