Wetboek van Strafvordering BES Actueel

Inhoud

Titel II

Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen

Artikel 477

Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.

Artikel 478

  1. In gevallen, waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de artikelen 72 tot en met 79, 80, 82, 120 tot en met 129, 145, 150, 153 en 154 van toepassing. De artikelen 141 tot en met 143 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 144 en het doen van beklag als bedoeld in artikel 150 geschiedt voor de minderjarige, in het eerste lid bedoeld, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

Artikel 479

Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.

Artikel 480

De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de verdachte minderjarig is.

Artikel 481

Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht van artikel 67, eerste lid, ook toe aan de ouders of voogd.

Artikel 482

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 483

  1. De officier van justitie kan bepalen dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling zal worden geschorst, indien de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.

  2. Als algemene voorwaarde waaraan de verdachte zal moeten voldoen wordt gesteld, dat hij geen strafbaar feit zal begaan noch zich op andere wijze zal misdragen. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld het gedrag van de verdachte betreffende; deze mogen zijn godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.

  3. De schorsing, bepaald krachtens het eerste lid, kan slechts worden opgeheven wegens overtreding van de gestelde voorwaarden. Het bevel tot opheffing is met redenen omkleed. De verdachte wordt zo mogelijk gehoord.

  4. De termijn gedurende welke een bevel tot inverzekeringstelling van kracht is, loopt niet gedurende de tijd waarin de tenuitvoerlegging is geschorst.

  5. Behoudens eerdere opheffing vervalt het bevel tot inverzekeringstelling waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst, aan het einde van de tiende dag na die waarop het bevel is gegeven.

Artikel 484

  1. Indien de rechter de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.

  2. In het bevel tot voorlopige hechtenis en tot schorsing daarvan worden zodanige bepalingen opgenomen als voor de juiste uitvoering daarvan nodig worden geoordeeld.

  3. Tot het ondergaan van inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis kan elke daartoe geschikte plaats worden aangewezen.

Artikel 485

Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt daaronder begrepen opschorting.

Artikel 486

  1. De voogdijraad wordt door de officier van justitie onverwijld in kennis gesteld van het bevel tot inverzekeringstelling en van het bevel tot schorsing of opheffing daarvan.

  2. Indien naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te doen.

Artikel 487

  1. Wanneer de officier van justitie voornemens is een van misdrijf verdachte te vervolgen, stelt hij de voogdijraad hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De voogdijraad licht de officier van justitie op diens verzoek in omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte. Zodanige inlichtingen kan de voogdijraad ook uit eigen beweging geven.

  2. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 175 in een inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie hiervan terstond bericht aan de voogdijraad.

  3. De rechter-commissaris is eveneens bevoegd om bij de voogdijraad de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, in te winnen.

Artikel 488

  1. Het rechtsgeding wordt in het openbaar behandeld, tenzij de verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. In dat geval kan de rechter tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen.

  2. De rechter kan om gewichtige bij het proces-verbaal van de terechtzitting te vermelden redenen bepalen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, dat het rechtsgeding, indien dit ingevolge het bepaalde in het eerste lid met gesloten deuren moet plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk in het openbaar zal worden gehouden.

Artikel 489

  1. De ouders of de voogd worden tot bijwoning van de terechtzitting opgeroepen.

  2. Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

  3. Niettemin kan de rechter ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat tijdens een zitting met gesloten deuren een verhoor van de verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt. De rechter deelt in dat geval de zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 490

  1. De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman bepalen, dat vragen betreffende de persoonlijkheid of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat het openbaar ministerie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte daarover het woord zal voeren.

  2. Het tweede lid van artikel 332 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 491

Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de voogdijraad inwinnen.

Artikel 492

De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders wordt bepaald.

Artikel 493

Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de aanhef van artikel 420, is dat artikel ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.

Artikel 494

  1. Indien de verdachte, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en een raadsman heeft, komen alle bevoegdheden hem in dit wetboek, met uitzondering van de Vierde Titel van het Vijfde Boek, toegekend, eveneens toe aan zijn raadsman.

  2. Tegen het instellen, intrekken of afstand doen door de raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het geval van het eerste lid, de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor het instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift indienen bij de rechter in eerste aanleg of de voorzitter van het college, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst is vervolgd. De rechter in eerste aanleg of de voorzitter beslist ten spoedigste; de verdachte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de raadsman worden gehoord, althans, op de wijze door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, loopt de termijn voor het instellen of intrekken van het rechtsmiddel alsnog gedurende drie dagen.

Artikel 495

  1. De straf van berisping wordt tenuitvoergelegd door de rechter in eerste aanleg of door de voorzitter van de samenstelling van het Hof die de veroordeling heeft uitgesproken.

  2. De tenuitvoerlegging geschiedt in een niet openbare terechtzitting zodra mogelijk na het uitspreken van de veroordeling.

  3. De rechter kan daarbij de hulp inroepen van een door hem aan te wijzen ambtenaar.

  4. Bij die tenuitvoerlegging kunnen de ouders of de voogd van de veroordeelde desverlangd tegenwoordig zijn, waartoe zij door de griffier van het Hof of van het gerecht in eerste aanleg worden opgeroepen.

  5. Indien de verdachte bij de uitspraak van de veroordeling aanwezig is, kan de tenuitvoerlegging van de straf van berisping terstond plaats vinden. In dit geval geschiedt daarvan aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting en blijft de oproeping, bedoeld in het vierde lid, achterwege.

Artikel 496

  1. Indien wordt afgezien van verhaal of verder verhaal van het bedrag, verschuldigd wegens een opgelegde geldboete of verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen, kan het nog te betalen bedrag, op vordering van het openbaar ministerie, worden vervangen door berisping.

  2. Op de vordering wordt beslist door de rechter die de straf heeft opgelegd, nadat de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld daarop te worden gehoord. Indien het hem raadzaam voorkomt geeft de rechter de nodige bevelen voor de verschijning van de veroordeelde in de raadkamer.

  3. De rechter beslist bij een met redenen omklede beschikking. Indien hij de vordering afwijst, kan hij bepalen dat het verschuldigde alsnog in gedeelten met inachtneming van door hem vast te stellen termijnen mag worden voldaan.

Artikel 497

  1. Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.

  2. De bepaling van het eerste lid geldt niet ten aanzien van de raadsman in zaken die overtredingen betreffen, ook niet in hoger beroep van zodanige zaken, en evenmin ten aanzien van ouders of voogd in geval van oproeping overeenkomstig artikel 416.

Artikel 498

Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben; aan samenwonende ouders wordt slechts een stuk uitgereikt.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES