-
De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de teruggave aan een bepaald persoon, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 127, 128 en 140.
-
Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk, indien het is ingediend op het tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
-
Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, binnen het rechtsgebied waarvan de inbeslagneming of kennisneming is geschied. Het gerecht is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het tweede lid.
-
Het gerecht geeft een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Op last van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.
-
Indien een belanghebbende zich beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dan wordt de beslagene in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.
-
Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmee overeenkomende last.
Wetboek van Strafvordering BES Actueel
Inhoud
Zevende Afdeling
Artikel 150a
-
De belanghebbenden, anderen dan de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over een schikking als bedoeld in artikel 503b op de grond dat deze betrekking heeft op hun toekomende voorwerpen en de officier van justitie die de voorwaarden heeft opgelegd, onderscheidenlijk de schikking is aangegaan, niet bereid is gebleken die voorwerpen of de waarde die zij bij verkoop redelijkerwijs hadden moeten opbrengen te vergoeden.
-
Het klaagschrift wordt, niet later dan nadat de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde aan de gestelde voorwaarden of aan de termen van de schikking heeft voldaan, dan wel de klager daarmee bekend is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht waarbij de in het eerste lid bedoelde officier van justitie is geplaatst.
-
Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.
-
Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het gerecht doet tevens de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Deze kan zich doen bijstaan door een advocaat of een daartoe bij bijzondere volmacht gemachtigde welke in de gelegenheid wordt gesteld de nodige opmerkingen te maken. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager en de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde die voor de behandeling is verschenen wordt door de griffie tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak. Acht dit gerecht het beklag gegrond, dan verklaart het de voorwaarden, onderscheidenlijk de schikking, bedoeld in het eerste lid, vervallen.
Artikel 151
-
De belanghebbenden, andere dan de veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over de verbeurdverklaring van hun toebehorende voorwerpen of over de onttrekking van zodanige voorwerpen aan het verkeer. Geen beklag staat open, indien het bedrag, waarop de verbeurdverklaarde voorwerpen bij de uitspraak zijn geschat, is betaald of ingevorderd, dan wel vervangende vrijheidsstraf is toegepast.
-
Het klaagschrift wordt, binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen.
-
Het gerecht behandelt het klaagschrift in het openbaar.
-
Tijdens de behandeling van het klaagschrift worden de klager en het openbaar ministerie in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De beschikking van het gerecht is met redenen omkleed en wordt in het openbaar uitgesproken. Aan de klager wordt door de griffier tijdig te voren schriftelijk mededeling gedaan van de dag der uitspraak.
-
Acht het gerecht het beklag gegrond, dan herroept het de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer en geeft een last, als bedoeld in artikel 397.
-
Bij de herroeping van een verbeurdverklaring kan het gerecht de voorwerpen aan het verkeer onttrokken verklaren, indien zij daarvoor vatbaar zijn. De artikelen 35a, 35b en 37, laatste zinsnede, van het Wetboek van Strafrecht BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 152
Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151.
Artikel 153
-
Op een last, ingevolge deze afdeling gegeven met betrekking tot een voorwerp, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing.
-
Aan een last tot teruggave van een voorwerp, dat verbeurd verklaard of aan het verkeer onttrokken verklaard was met verlening van een geldelijke tegemoetkoming, wordt niet voldaan zolang het bedrag niet in ’s Rijks kas is teruggestort.
Artikel 154
Met hetgeen onder de Staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143.
Artikel 154a
Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel 119d is de burgerlijke rechter bevoegd.