Als de aangehouden verdachte naar een plaats van verhoor is geleid, mag hij met het oog op het verhoor niet langer dan zes uren worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen 10 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens niet wordt meegerekend. De hulpofficier van justitie kan bepalen, dat het verhoor, indien het belang van de zaak dat bepaaldelijk vordert, aaneensluitend na 10 uur wordt voortgezet. De duur van het verhoor na 10 uur wordt op de zes uren in mindering gebracht.
De termijn vangt aan op het tijdstip dat de verdachte op de plaats van verhoor is aangekomen.
Is de verdachte niet in staat het verhoor te ondergaan, dan vangt de termijn aan op het tijdstip dat hij daartoe wel in staat is.
De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.
Tijdens de ophouding voor het verhoor kunnen onder meer de in artikel 90, tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.