Wetboek van Strafvordering BES Actueel

Inhoud

Titel IV

Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten

Artikel 15

  1. Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.

  2. Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon, die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt, dat door de beslissing tot niet vervolging rechtstreeks wordt getroffen.

  3. Wanneer op het gebied van de opsporing en de vervolging activiteiten niet of niet binnen een redelijke termijn hebben plaatsgevonden, wordt deze omstandigheid voor de toepassing van deze titel met een beslissing tot niet vervolging gelijkgesteld.

Artikel 16

  1. De griffier van het Hof geeft de klager spoedig schriftelijk bericht van de ontvangst.

  2. Na ontvangst van het klaagschrift draagt het Hof de procureur-generaal op ten aanzien van de beslissing tot niet of niet verdere vervolging schriftelijk verslag te doen en de daartoe betrekkelijke stukken over te leggen.

Artikel 17

Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.

Artikel 18

  1. Het Hof beslist niet alvorens de klager te hebben gehoord, althans behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen, behoudens in het geval van artikel 17.

  2. Het oproepen van de klager kan ook achterwege blijven, wanneer door hem ter zake van hetzelfde feit reeds eerder beklag is gedaan, tenzij door de klager nieuwe omstandigheden zijn aangevoerd die, waren zij het Hof bekend geweest, tot een andere beslissing op dat eerdere beklag hadden kunnen leiden.

  3. Indien beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het Hof volstaan met het oproepen van de twee personen, wier namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.

Artikel 19

  1. Het Hof kan de persoon wiens vervolging wordt verlangd oproepen ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een afschrift van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

  2. Een bevel, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt niet gegeven dan nadat de persoon wiens vervolging wordt verlangd door het Hof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen.

Artikel 20

  1. De klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kunnen zich in raadkamer doen bijstaan door een advocaat. Zij kunnen zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn, of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.Van deze bevoegdheid, alsmede van de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken, wordt hun in de oproeping mededeling gedaan.

  2. De voorzitter van het Hof staat, behoudens in het geval van artikel 17, de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd, alsmede hun advocaten of gemachtigden toe van de op de zaak betrekking hebbende stukken kennis te nemen, indien daarom wordt verzocht. Kennisneming geschiedt op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op de vordering van de procureur-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing of vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 21

De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Artikel 22

Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.

Artikel 23

Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.

Artikel 24

De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in raadkamer zijn op deze titel van toepassing.

Artikel 25

  1. Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven.

  2. Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.

  3. In alle andere gevallen wijst het Hof het beklag af.

  4. Alvorens te beslissen kan het Hof, indien het nader onderzoek wenselijk oordeelt, de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen onder aanduiding van het onderwerp en de omvang van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen. Artikel 359, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 26

  1. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk en bij een met redenen omklede beschikking.

  2. Van elke beschikking zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de procureur-generaal, de klager, alsmede, indien de artikelen 19, eerste lid, en 25, eerste lid, toepassing hebben gevonden, aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd.

Artikel 27

De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.

Artikel 28

Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES is beklag niet toegelaten.

Artikel 29

Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES