Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 187 ten aanzien van een strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, vordert hij dat door de rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden overgegaan.
In de vordering wordt het feit zo nauwkeurig mogelijk omschreven als in deze stand van de zaak mogelijk is.
Die vordering of, zo de verdachte eerst later bekend wordt, een onverwijld in te dienen nadere vordering wijst de verdachte aan.
De officier van justitie dient ook een nadere vordering in, zodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare feiten moet worden uitgebreid, en, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat, wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden.
Zodra de rechter-commissaris, al of niet na verzoek van de verdachte, oordeelt dat een nadere vordering nodig is, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan de officier van justitie.
Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat tot het gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking.
Onverminderd het bepaalde in artikel 221 kan de rechter-commissaris, zo de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en aan hem nog niet een dagvaarding ter terechtzitting is betekend, op het verzoek van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat grond tot gebruik van deze bevoegdheid bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking. Een afschrift daarvan zendt hij aan de officier van justitie.
Zodra een overeenkomstig het tweede lid ingesteld gerechtelijk vooronderzoek moet worden uitgebreid tot andere strafbare feiten, dient de officier van justitie een daartoe strekkende vordering in.
Wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden, dient de officier van justitie een dienovereenkomstige vordering in, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat.
Artikel 222, tweede lid, en artikel 223 zijn van overeenkomstige toepassing.
Telkens ter gelegenheid van het eerste verhoor van de verdachte, nadat een vordering als vermeld in de artikelen 221, 222 en 224, derde en vierde lid, is ingekomen, dan wel een beschikking als bedoeld in artikel 222, tweede lid, is gegeven, wordt hem door de rechter-commissaris een afschrift van die vordering of beschikking ter hand gesteld.
De rechter-commissaris kan echter bevelen, dat de vordering of de beschikking reeds voor het verhoor aan de verdachte zal worden betekend.