Indien de officier van justitie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is, dat vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.
Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Aan die beslissing kunnen door de officier van justitie voorwaarden worden verbonden. Daarbij wordt in het bijzonder acht geslagen op de belangen van de benadeelde partij.
Artikel 278, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving behelst alsdan de beslissing niet te vervolgen.
Indien gronden voor vervolging aanwezig worden geacht, beziet de officier van justitie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, of de zaak langs andere dan gerechtelijke weg kan worden afgedaan. Bij die beslissing kunnen door hem voorwaarden worden gesteld aan de verdachte, indien deze heeft bekend en zich bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven, met het oog op het zonder vergoeding verrichten van werkzaamheden ten algemene nutte.
In verband met een goede uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, worden door het openbaar ministerie richtlijnen vastgesteld.
De benadeelde partij, die de in artikel 206, derde lid, bedoelde wens kenbaar heeft gemaakt, wordt door de officier van justitie ingelicht omtrent de door hem genomen beslissing omtrent al dan niet vervolgen. Indien de zaak wordt vervolgd, houdt hij de benadeelde partij op de hoogte van voor haar van belang zijnde momenten in de verdere procedure. Indien de zaak niet wordt vervolgd, wijst hij haar op de mogelijkheid om op de voet van de artikelen 15 tot en met 28 bij het Hof van Justitie beklag te doen.
Desgevraagd wordt degene, die door een misdrijf ernstig is benadeeld, in de gelegenheid gesteld om, in verband met door de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn zienswijze kenbaar te maken.