Wetboek van Strafvordering BES

Inhoud

Artikel 387

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2025.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2025.
  1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

    1. beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;

    2. processen-verbaal en andere geschriften, in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;

    3. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te dienen;

    4. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;

    5. alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

  2. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

  3. Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

01-07-2025 Huidig 15-05-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2019 Historisch 01-07-2015 Historisch 01-01-2015 Historisch 15-12-2010 Historisch 10-10-2010 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 10-10-2010.

Tekst van deze versie

  1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

    1. beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;

    2. processen-verbaal en andere geschriften, in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;

    3. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te dienen;

    4. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;

    5. alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

  2. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

  3. Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wetboek van Strafvordering BES