-
De navolgende artikelen van deze titel zijn van toepassing op verzoeken om rechtshulp door autoriteiten van een vreemde staat in verband met een strafzaak gedaan, en gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of de politie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in de afdoening niet is voorzien in het bepaalde bij of krachtens andere wettelijke regelingen.
-
Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken tot het verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, het toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.
Wetboek van Strafvordering BES Actueel
Inhoud
Titel VIII
Artikel 556
-
Het verzoek wordt, zo het niet tot een officier van justitie is gericht, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie.
-
Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen opsporingshandelingen nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.
-
Het tweede lid is niet van toepassing in de door Onze Minister van Justitie te bepalen gevallen.
Artikel 557
De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.
Artikel 558
-
Voor zover het verzoek is gegrond op een verdrag, wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.
-
In gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, wordt aan het verzoek voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van Onze Minister van Justitie.
Artikel 559
-
Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven:
in gevallen waarin de verzoekende staat naar de regels van het volkenrecht rechtsmacht over de verdachte ontbeert;
voor zover de verdachte op een met het volkenrecht strijdige wijze of anderszins onrechtmatige wijze het grondgebied van de verzoekende staat binnen is gebracht of gelokt, dan wel is gearresteerd en zijn vrijheid is ontnomen;
voor zover het vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;
voor zover inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;
voor zover het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt vervolgd.
-
In gevallen waarin er grond bestaat om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in onderdeel a of b van het eerste lid zich ter zake van het verzoek heeft voorgedaan, wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie. Een afwijzende beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.
-
In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als bedoeld in onderdeel c van het eerste lid wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Minister van Justitie.
Artikel 560
-
Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard, of daarmee verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken. De beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.
-
Aan verzoeken, die zijn gedaan ten behoeve van onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor ’s Rijks belastingdienst, dan wel aan verzoeken betrekking hebbende op gegevens welke onder ’s Rijks belastingdienst berusten of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hun bediening bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Financiën.
Artikel 561
-
De officier van justitie stelt een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris:
indien het strekt tot het horen of verhoren van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring, of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;
indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.
-
In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris stellen.
-
De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.
-
De in het derde lid bedoelde vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 562
-
Voor zover de in artikel 561, derde lid, bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, wat betreft:
de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te verhoren verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging ;
de bevoegdheden van de officier van justitie;
de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen of te verhoren personen;
bijstand van een raadsman;
de verrichtingen van de griffier.
-
Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.
-
[vervallen]
-
Tenzij een verdrag anders bepaalt, kan ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.
Artikel 563
-
De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.
-
De door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van overtuiging worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover het Hof, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.
-
Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
-
Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt het Hof op.
Artikel 563a
-
De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie uitvoering geven aan een verzoek tot verhoor per videoconferentie door bevoegde buitenlandse autoriteiten, onder zijn leiding, van een getuige of deskundige. Indien een toepasselijk verdrag daarin voorziet kan tevens uitvoering worden gegeven aan een verzoek om, in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, een verdachte per videoconferentie te verhoren.
-
Tenzij een toepasselijk verdrag anders bepaalt, zijn de bepalingen in dit wetboek inzake een verzoek tot verhoor van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van het verzoek tot verhoor per videoconferentie.
Artikel 564
Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de wijze, door hem te bepalen.
Artikel 565
-
Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van stukken van vergelijkbare strekking in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
-
Is bij een voor inwilliging vatbaar verzoek uitdrukkelijk de voorkeur gegeven aan betekening of uitreiking aan de geadresseerde in persoon, dan wordt zoveel mogelijk dienovereenkomstig gehandeld.
Artikel 566
-
Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de strafwet van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland.
-
De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten, kunnen behalve de in artikel 119 bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen, die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert.
-
Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 567
-
In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de handeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar aanleiding waarvan deze na de landing van het luchtvaartuig op Bonaire, Sint Eustatius of Saba ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling die op discriminatie naar ras of godsdienst berust, wordt geen onderzoek ingesteld.
-
In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de in het vorige lid bedoelde handeling een overtreding vormt van een strafbepaling van politieke aard, wordt geen onderzoek ingesteld dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Justitie en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.